DRAAGHISTORIE

De laatste tijd komt de draagdoek steeds vaker voor in het straatbeeld. Het wekt wellicht de illusie dat het dragen ‘iets nieuws’ is of een ‘hype’. Niets is minder waar! Overal ter wereld worden mensenkinderen gedragen en de draaghistorie van de mens gaat heel ver terug.

Als we terug kijken naar de tijd waarin de eerste moderne mens ontstond, zien we dat mensen als nomaden leefden en baby’s altijd meegedragen werden door hun moeders. In meerdere traditionele culturen, welke vandaag de dag nog steeds bestaan, wordt nog steeds op deze manier geleefd en is de draagcultuur ook nog onveranderd aanwezig. Het dragen wordt als vanzelf van moeder op dochter doorgegeven.

Als we de verschillende soorten prehistorische mensen en aapsoorten ook rekenen tot de geschiedenis van de mens, kun je spreken van een draaghistorie van meer dan 55 miljoen jaar. Daarnaast kunnen we ook zien dat huidige aapsoorten, waarvan de chimpansee het dichtst bij de mens staat, hun jongen op dezelfde manier blijven dragen.

Biologische term

In biologische termen is het mensenkind een ‘draagling’. Zijn ontwikkeling en gedrag is erop ingericht om gedragen te worden sinds het begin van de menselijke evolutionaire geschiedenis (‘A baby wants to be carried’, Evelin Kirkilionis.)

In de natuur zijn er 3 soorten jongen te onderscheiden; nestblijvers, nestvlieders en draaglingen.

Nestblijvers

Nestblijvers worden doof en blind geboren en vaak ook naakt. Ze zijn nog niet zelfstandig en worden gevoed met vetrijke moedermelk zodat ze lang verzadigd blijven. Deze samenstelling van moedermelk is nodig, omdat de jongen vaak uren lang alleen blijven in het nest als moeder op jacht gaat naar voedsel. Het nest geeft hen warmte en geborgenheid. Deze jongen schreeuwen dan ook om aandacht als ze uit hun vertrouwde nest gehaald worden. Voorbeelden zijn vossen, wolven en konijnen etc.

Nestvlieders

Nestvlieders zijn kleine kopieën van hun ouders. Zij staan vrij snel rechtop na de geboorte en al hun zintuigen werken. Klaar om hun moeder overal te volgen. Ze schreeuwen om aandacht wanneer ze hun moeder niet kunnen zien. Dichtbij hun moeder zijn, geeft geborgenheid en veiligheid. Nestvlieders worden gevoed met eiwitrijke moedermelk. Deze zorgt ervoor dat ze snel groeien. Denk bijvoorbeeld aan de dieren op de savanne; giraffes, buffels, olifanten. Maar ook koeien en paarden.

Draaglingen

Draaglingen worden hulpeloos geboren, maar wel met functionerende zintuigen. Ze worden gevoed met moedermelk die minder vet is dan die van nestblijvers en minder eiwitrijk dan die van nestvlieders. Daarentegen bevat de moedermelk veel meer koolhydraten. Dit is noodzakelijk voor de ontwikkeling van de hersenen. Draaglingen moeten dus regelmatig gevoed worden en door dicht bij de moeder te blijven verzekeren ze zich van voedsel, warmte en veiligheid. Een draagling die gescheiden wordt van zijn moeder zal dan ook direct schreeuwen om aandacht. Gescheiden worden van de moeder is voor een draagling levensgevaarlijk en het is dan ook belangrijk dat het contact met de moeder snel wordt hersteld. Bij de draaglingen maakt men nog een onderscheid tussen passieve en actieve draaglingen.

Passieve draaglingen

Een passieve draagling is bijvoorbeeld een kangoeroe. De eerste maanden zit of ligt het jong van de kangoeroe in de buidel bij zijn moeder zonder zich daarbij vast te hoeven houden. De poten van een kangoeroe zijn er niet op gebouwd om hun moeder vast te houden.

Actieve draaglingen

Een actieve draagling is bijvoorbeeld een aap. Ze houden zich actief met handen en voeten vast aan de moeder.

Ook mensenbaby’s zijn van oorsprong actieve draaglingen. De samenstelling van onze borstvoeding is vergelijkbaar met dat van andere draaglingen. Ze hebben veel voedingen nodig en dit kan alleen wanneer ze zich dicht bij hun moeder bevinden. Ook op het vlak van bescherming, veiligheid en ontwikkeling is het nodig dat ze zich dicht bij hun moeder bevinden. Zodra ze ook maar het vermoeden hebben alleen te zijn zullen ze gaan huilen. Ze roepen om contact.

Daarnaast vertonen baby’s ook enkele reflexen en hebben ze fysieke kenmerken die aantonen dat baby’s gericht zijn op ‘gedragen worden’.

De Mororeflex: wanneer de baby schrikt of valt opent hij zijn armen en benen om ze vervolgens te sluiten. De baby probeert zich zo vast te grijpen aan zijn moeder. Deze reflex werd beschreven door de Oostenrijkse kinderarts Ernst Moro en werd door hem ook wel de omklemmingsreflex (“Umklammungsreflex”) genoemd.

De grijpreflex: plaats je vinger in de handpalm van een baby en hij grijpt die zeer stevig vast. Wanneer je dit met beide handen doet dan kan je de baby zelfs rechttrekken uit een liggende positie. Wanneer je borstvoeding geeft, herken je vast dat je kindje je vast grijpt. Ook de voet vertoont een grijpreflex. De voet kromt en de tenen krullen naar binnen. Echt grijpen kan zo’n voetje natuurlijk niet meer, omdat de evolutie van de voet gericht is op het dragen van het lichaamsgewicht in rechtopstaande stand. Er is natuurlijk ook niets meer om naar te grijpen. Onze “vacht” zijn we door de eeuwen heen kwijt geraakt.

Spread-squat reflex: wanneer een baby wordt opgetild, spreidt en heft hij de beentjes op in een soort hurkstand, Deze positie bereidt de baby voor om gedragen te worden op de heup van de moeder. Anatomisch gezien is de hoek van de heup ideaal om de spreidpositie van de beentjes van de baby te ondersteunen.

Bij een (pasgeboren) baby wijzen de handpalmen en voetzolen naar elkaar toe en de beentjes hebben een o-vorm. Dit maakt het voor de baby makkelijker om zich vast te grijpen. Daarnaast vertoont de ruggengraat een volledige kromming, ook wel de C-vorm genoemd.